Als een werknemer arbeidsongeschikt raakt, gaat de pensioenopbouw in principe gewoon door.

Bij arbeidsongeschiktheid zijn er twee periodes te onderscheiden:

  1. de eerste ziektejaren: u betaalt het salaris van de werknemer (gedeeltelijk) door;
  2. daarna: de werknemer wordt geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en komt terecht in de WIA.

De eerste ziektejaren blijft de werknemer salaris van u ontvangen. De pensioenopbouw blijft de hele periode gebaseerd op 100% van het oorspronkelijke salaris, ook als u de werknemer na verloop van tijd in werkelijkheid minder uitbetaalt. Dat geldt overigens ook voor de pensioenpremie – ook die blijft gebaseerd op het oorspronkelijke salaris.

Als de werknemer daarna arbeidsongeschikt wordt verklaard en een WIA-uitkering ontvangt (de WIA is per 1 januari 2006 de opvolger van de WAO), gaat de opbouw van het pensioen ook door. Bij volledige arbeidsongeschiktheid hoeft er geen pensioenpremie te worden betaald, bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is sprake van gedeeltelijke vrijstelling van premiebetaling. De premievrijstelling gaat overigens niet automatisch in: binnen drie maanden nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan moet dit schriftelijk aan het pensioenfonds worden gemeld. Een kopie van de WIA-beschikking moet worden meegestuurd.