Begrippenlijst
Aandelen
Bewijzen van deelneming in het vermogen van een onderneming.
Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (ABTN)
Door het bestuur van het pensioenfonds vastgesteld document, waarin de financiële opzet, de technische uitgangspunten en het bestuursbeleid om de pensioentoezeggingen van het fonds te kunnen nakomen, wordt omschreven.
Actuaris
Verzekeringswiskundige. De actuaris controleert jaarlijks of de technische voorzieningen juist zijn vastgesteld en of de voorziening pensioenverplichtingen op voldoende veilige grondslagen is berekend.
Actuariële analyse
Berekening van waarden en verplichtingen volgens uitgangspunten van de verzekeringswiskundige.
Afkoop
Het storten van een eenmalige bedrag aan een deelnemer, ter vervanging van een maandelijkse pensioenuitkering.
AFM
De AFM (Autoriteit Financiële Markten) houdt toezicht op het gedrag van iedereen die actief is op de markt van sparen, lenen, beleggen en verzekeren.
Alternatives
Beleggingen waarvan men verwacht dat de rendementsontwikkeling niet of beperkt gerelateerd is met de rendementsontwikkeling van de traditionele beleggingscategorieën.
Anw-hiaat
Inkomenstekort doordat in 1996 de Algemene Weduwe- en wezenwet is vervangen door Algemene Nabestaandenwet. Deze wet voorziet in een uitkering voor nabestaanden voor een beperktere kring gerechtigden en met een mogelijk verlaagde uitkering ten opzichte van zijn voorganger.
AOW
Algemene Ouderdomswet, die voor iedere Nederlander voorziet in een uitkering vanaf de eerste van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
Asset Liability Management (ALM)-studie
Een onderzoek naar het verband tussen de beleggingen, de premie en de (financiering van de) pensioenregeling op langere termijn. De ingeschatte ontwikkeling van het fonds is hierbij gebaseerd op een aantal (economische) toekomstverwachtingen.
Arbeidsongeschikte deelnemer
De werknemer, die een (gedeeltelijke) WAO-uitkering (tot 2006) of WIA-uitkering (vanaf 2006) ontvangt. De pensioenopbouw wordt (gedeeltelijk) voortgezet voor rekening van het pensioenfonds.
Bedrijfstakpensioenfonds
Een bedrijfstakpensioenfonds voert de pensioenregelingen uit voor één of meer bedrijfstakken.
Beleggingsopbrengsten/rendementen
Directe: interest en dividend onder aftrek van de aan de beleggingen toe te rekenen kosten. Indirecte: gerealiseerde en ongerealiseerde waardeverschillen op beleggingen.
Beleggingsportefeuille
Het totaal van alle beleggingen in aandelen, obligaties, leningen op schuldbekentenis, deposito’s en vastgoedfondsen.
Benchmark
Representatieve beleggingsindex waartegen het rendement van een belegging wordt afgezet.
BRIC landen
Brazilië, Rusland, India en China.
Compliance
Het toezicht op de interne naleving van de gedragscode en het monitoren van het gedrag van de medewerkers en bestuurders van het fonds die vallen onder de gedragscode. Het toezicht wordt uitgeoefend door een compliance officer.
Contante waarde
Waarde van toekomstige verplichtingen bepaald op huidig moment, rekening houdend met toekomstige ontwikkelingen zoals rente ontvangsten.
Credit rating
Een credit rating is een beoordeling van het vermogen en de wil van de uitgevende instelling om financiële schuldverplichtingen volledig en tijdig terug te betalen. De internationale markt voor credit ratings wordt gedomineerd door voornamelijk Standard & Poor’s (S&P), Moody’s Investors Services (Moody’s) en Fitch Ratings Ltd. (Fitch).
Deelnemer
De werknemer voor wie premie wordt afgedragen en die daardoor rechten opbouwt bij het fonds.
Dekkingsgraad
Het pensioenvermogen uitgedrukt in een percentage van de pensioenverplichtingen.
Deposito’s
Kortlopende leningen aan financiële instellingen met een vaste looptijd en een van tevoren vastgelegd rentepercentage.
Derivaten
Beleggingen waarvan de waarde is afgeleid van de waarde van een andere (onderliggende) waarde, zoals een aandeel of een obligatie. Voorbeelden zijn opties en futures.
Directe beleggingsopbrengsten
Opbrengsten uit beleggingen zoals interest (rente), dividenden, huren en dergelijke.
Doorsneepremie
Premieheffing waarbij een procentuele bijdrage van de opbouwgrondslag wordt geheven. De bijdrage wordt solidair vastgesteld, onafhankelijk van leeftijd, geslacht en burgerlijke staat.
Duration
Een rekeneenheid die de gevoeligheid weergeeft voor rente-ontwikkelingen. Dit kan zowel betrekking hebben op de waarde van de beleggingen als op de waarde van de pensioenverplichtingen.
DNB
De Nederlandsche Bank, wettelijk toezichthouder.
Ex-deelnemer
De werknemer van wie de pensioenopbouw is gestopt vóór de pensioengerechtigde leeftijd (bijvoorbeeld omdat men in een andere bedrijfstak is gaan werken) en die bij beëindiging van de deelneming zijn opgebouwd pensioen bij het fonds heeft achtergelaten.
Engagement
Het beïnvloeden van het bedrijfsbeleid op grond van de positie als belegger en de rechten die hiermee verbonden zijn.
Financieel Toetsingskader
Door DNB in het kader van de nieuwe Pensioenwet te hanteren normen met betrekking tot de financiële soliditeit.
Franchise
Het gedeelte van het salaris, dat voor de pensioen- en premieberekening buiten beschouwing blijft, omdat de AOW over dat deel reeds in pensioen voorziet.
FVP
(Stichting) Financiering Voortzetting Pensioenverzekering. Deze stichting voorziet in (gedeeltelijke) voortzetting van het pensioen van werkloze deelnemers van 40 jaar en ouder.
Gedragscode
Op grond van toezichtswetgeving zijn pensioenfondsen verplicht om een gedragscode te hebben en een compliance officer aan te stellen. De gedragscode heeft als doel het integer handelen van het fonds en haar betrokkenen te bevorderen.
Gepensioneerde
De deelnemer die een ouderdomspensioen ontvangt of de nabestaande die een nabestaandenpensioen ontvangt.
Gewezen deelnemers
Ex-deelnemers in de pensioenregeling, voorheen vaak aangeduid met: “slapers”.
Indirecte beleggingsopbrengsten
Beleggingsopbrengsten waar geen geldstroom tegenover staat, bijvoorbeeld een waardevermeerdering.
Inflatie
Waardevermindering van geld als gevolg van stijgende prijzen.
Infrastructuurbeleggingen
Bij beleggen in infrastructuur wordt een aandelenbelang genomen in een onderneming die een infrastructuur-asset bezit of exploiteert. Dat kan zijn sociale infrastructuur betreffen: samenwerkingsverbanden tussen de publieke en private sector waarbij de overheid de kerntaken blijft verrichten, terwijl de private sector de fysieke assets en voorzieningen opbouwt, in eigendom heeft, exploiteert en onderhoudt. Men spreekt hierbij wel van publiek-private samenwerking (PPS) of een privaat financieringsinitiatief (PFI). Het kan ook gaan om economische infrastructuur: diensten waarvoor de gebruiker bereid is te betalen, zoals transport, distributie van elektriciteit en communicatie.
Inruil
De mogelijkheid om op de pensioendatum nabestaandenpensioen in te ruilen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen.
Kapitaalovereenkomst
Een kapitaalovereenkomst is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij alleen de hoogte van het kapitaal (eventueel met winstdeling) bij ingang van het pensioen vaststaat. Uiterlijk op de pensioendatum wordt het kapitaal omgezet in een periodieke uitkering tegen de dan geldende tarieven. Voor de ingangsdatum van het pensioen ligt het langlevenrisico bij de werknemer. Het beleggingsrisico ligt tijdens de opbouwfase bij de pensioenuitvoerder. Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde streefregeling, mits deze correct is vormgegeven.
Lening (onderhandse)
Een lening, die direct tussen de lener en het pensioenfonds wordt afgesloten. Er wordt een specifieke overeenkomst gemaakt.
Levensloopregeling
Sinds 1 januari 2006 kunnen werknemers sparen in een levensloopregeling, om in de toekomst een periode van onbetaald verlof te financieren.
Liquide middelen
Geld, dat direct of vrijwel direct beschikbaar is.
Loon
Het vaste jaarloon volgens het pensioenreglement.
Loonindexatie
Ontwikkeling van de CAO-loonsverhoging van jaar tot jaar. Het loonindexcijfer wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgesteld.
Mandaten
Overeenkomsten met externe vermogensbeheerders waarin precies is vastgelegd volgens welke normen de beleggingsportefeuilles moeten zijn ingericht.
Marktwaarde
De waarde van een belegging of verplichting op een openbare financiële markt op een bepaald moment.
Microfinanciering
Microfinanciering is de algemene verzamelnaam voor financiële diensten die met zeer kleine bedragen worden verstrekt aan de arme bevolking in ontwikkelingslanden zoals Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika.
Middelloonsysteem
Pensioenregeling waarbij de hoogte van het pensioen is gerelateerd aan het gemiddeld verdiende salaris tijdens de deelnemingsperiode.
Nominale waarde
De waarde die op waardepapieren (beleggingsstukken) staat.
Normportefeuille
De normportefeuille vormt een normstellend kader voor de samenstelling van de beleggingsportefeuille. Zij bestaat uit een geheel van benchmarks met hun onderlinge procentuele verhoudingen binnen het geheel.
Obligaties
Bewijzen van deelneming in een openbaar uitgegeven lening. Deze bewijzen zijn verhandelbaar op de beurs.
Opgebouwde pensioenaanspraken
Het pensioen dat op grond van de deelnemingsduur en de laatste pensioengrondslag is vastgesteld.
Over the counter (OTC)
Financiële instrumenten kunnen worden verhandeld via een effectenbeurs, maar ook interbancair of wel OTC, dus buiten de beurzen om. Voordeel daarvan is dat meer maatwerk mogelijk is.
Pensioengrondslag
Het deel van het vaste jaarsalaris, dat resteert na aftrek van de franchise. De pensioengrondslag vormt de basis voor de berekening van het pensioen en de pensioenpremie.
Pensioenvermogen
Het totale vermogen van het pensioenfonds dat aanwezig is ter dekking van de pensioenverplichtingen.
Pensioenverplichtingen
De contante waarde van alle opgebouwde pensioenrechten op basis van de deelnemingsjaren.
Pension Fund Governance
Goed ondernemerschap, onder andere integer en transparant handelen door het bestuur, alsmede goed toezicht hierop, en het afleggen van verantwoording over het uitgeoefende beleid en het toezicht daarop.
Premie
De jaarlijkse bijdrage van de werkgevers en de werknemers aan het pensioenfonds. De premie is een percentage van de pensioengrondslag.
Premieovereenkomst
Een premieovereenkomst is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij primair een afspraak wordt gemaakt over de hoogte van de premie die periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar wordt gesteld. Zowel het langlevenrisico als het beleggingsrisico kunnen voor de ingangsdatum van het pensioen bij de werknemer liggen, maar kunnen ook direct na toekenning van de premie worden verzekerd.
Premiereductie
Een korting op de premie.
Rekenrente
Percentage dat bij actuariële berekeningen wordt toegepast als verondersteld reëel rendement op de beleggingen.
Renteswap
De renteswap wordt in het algemeen gebruikt om renterisico's te beheersen of af te dekken, of om een gewenste rentepositie in te nemen. De meest gebruikte term voor de renteswap is Interest Rate Swap (IRS). De renteswap is een ruiltransactie die geschiedt op een internationale financiële markt, waarbij leningen gedurende de looptijd, of een deel van de looptijd, tegen elkaar worden geruild. De koper betaalt een korte rente en ontvangt een lange rente, of omgekeerd.
SAS70
Dit is de afkorting van “Statement on Auditing Standards number 70” en betreft een door het American Institute of Certified Public Accountants opgestelde norm voor certificering van de procesbeheersing. Een SAS70 type 1 rapport biedt een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop een organisatie op een bepaald moment de kwaliteit van haar dienstverlening waarborgt. Bij een type 2 rapport gaat het ook over de effectieve werking gedurende een periode van minimaal een half jaar.
Small caps
Aandelen van kleinere ondernemingen.
Solvabiliteit
Het vermogen om op langere termijn aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen.
SRI
Social Responsible Investments. SRI combineert de financiële doelstellingen van de belegger met de zorg voor sociale, milieu en ethische aspecten. SRI neemt zowel de financiële behoeften in beschouwing als de invloed van de belegging op de maatschappij.
Sterftetrend
Onder het FTK wordt rekening gehouden met de toename van de overlevingskansen van de verzekerden. De voorziening pensioenverplichtingen inclusief de voorziening omrekening overlevingstafels wordt hiertoe verhoogd met de zogenaamde “sterftetrend”. Deze sterftetrend wordt bepaald door bij de afwikkeling van de verplichtingen in de periode tot en met 2050 de overlevingskansen langzaam te laten toegroeien naar de overlevingskansen uit de tafel CBS 2050. Voor de verplichtingen voorzover deze vervallen na het jaar 2050 wordt uitgegaan van de overlevingskansen uit de genoemde tafel.
Tactische allocatie
Het iets méér of iets minder beleggen in een categorie dan volgens de normportefeuille, afhankelijk van ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkten.
Toeslagverlening
Voorheen vaak aangeduid met de term “indexatie”. Toeslagverlening betreft het percentage waarmee de ingegane pensioenen en opgebouwde rechten jaarlijks worden verhoogd volgens een besluit van het bestuur.
Uitkeringsovereenkomst
Een uitkeringsovereenkomst is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer over een uitkering van een bepaalde hoogte die vanaf een bepaalde leeftijd wordt ontvangen. Afhankelijk van het salaris en/of diensttijd wordt een bepaalde aanspraak op een uitkering opgebouwd. Zowel het langlevenrisico als het beleggingsrisico ligt altijd bij de pensioenuitvoerder. Een voorbeeld van een uitkeringsovereenkomst is een eindloonregeling of een middelloonregeling.
Uitruil
De mogelijkheid om op de pensioendatum het opgebouwde nabestaandenpensioen om te zetten in een toeslag op het ouderdomspensioen.
Voorziening Pensioenverplichtingen (VPV)
De reservering die wordt gepleegd om (te zijner tijd) aan de uitkeringsverplichting volgens het pensioenreglement te kunnen voldoen.
Vacatiegeld
Vergoeding die wordt toegekend aan de bestuursleden, leden van de beleggingscommissie, de Deelnemersraad en het verantwoordingsorgaan voor het bijwonen van vergaderingen.
Valutakoersen
De waarde van buitenlands geld in relatie tot de euro.
Vastgoed
Woningen, kantoren, bedrijfspanden en winkels. Bij directe beleggingen in vastgoed zijn de panden zelf in bezit. PMA heeft alleen indirect vastgoed: dat zijn aandelen in maatschappijen die in vastgoed beleggen.
Vastrentend
Rentepercentage dat gedurende een bepaalde periode (looptijd) van bijvoorbeeld leningen constant blijft.
Vastrentende waarden
Beleggingen waarvan de directe opbrengst vooraf vaststaat.
Veegwet
Op 1 augustus 2008 in werking getreden wet waarin een groot aantal tekortkomingen van de nieuwe Pensioenwet in één keer worden gerepareerd.
Verplichtstelling
Op grond van een Besluit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verplichtstellingsbeschikking) zijn alle werknemers in de bedrijfstak verplicht deel te nemen aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
Visitatie
Dit is een vorm van intern toezicht in het kader van Pension Fund Governance waarbij tenminste éénmaal per drie jaar aan een zogenaamde visitatiecommissie opdracht wordt gegeven om het functioneren van het bestuur te bezien. Een visitatiecommissie wordt benoemd door het bestuur en bestaat uit ten minste drie onafhankelijke deskundigen.
Voorziening Pensioen Verplichtingen (VPV)
Het bedrag dat op een bepaald moment aanwezig moet zijn om, tezamen met de toekomstige inkomsten, aan de (toekomstige) uitkeringen te kunnen voldoen.
VPL
Op 1 januari 2006 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) van kracht geworden. Het uitgangspunt van deze wet is dat de werknemer pas op 65-jarige leeftijd stopt met werken. De werknemer mag wel eerder met pensioen gaan dan bij 65 jaar, maar het pensioen moet dan actuarieel herrekend worden. Voor werknemers die op 31 december 2004 55 jaar of ouder zijn, maakt de wet een uitzondering. Voor hen geldt dat bepaalde VUT- en prepensioenregelingen mogelijk blijven.
Vreemde valuta
Buitenlandse geldsoorten.
Vrijstelling Wet Bpf
Vrijstelling om deel te nemen aan de pensioenregeling die door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (op verzoek van sociale partners) is verplicht gesteld voor een bedrijfstak. Over vrijstelling wordt door het bestuur van het pensioenfonds beslist.
Waardeoverdracht
De opgebouwde pensioenen die door het pensioenfonds van de oude werkgever worden overgedragen aan het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Dit kan collectief plaatsvinden (voor alle werknemers van een onderneming) of individueel.
WIA
Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Deze wet vervangt sinds 29 december 2005 de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO). De WIA kent twee aparte regelingen: de WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten) en de IVA (Inkomensverzekering Volledig Arbeidsongeschikten)
Waarderingsgrondslagen
Uitgangspunten voor de berekening van de waarde van de beleggingen, vorderingen, pensioenverplichtingen en overige verplichtingen.
Zakelijke waarden
Beleggingen in aandelen en (bij PMA alleen indirect) vastgoed.
Z-score
Mate waarin het werkelijke rendement van het pensioenfonds afwijkt van het rendement van de benchmarks in de door het bestuur vastgestelde normportefeuille. Een Z-score geeft een indicatie van het vermogensbeheer van een pensioenfonds. Een positieve score houdt in dat de werkelijke rendementen in de afgelopen vijf jaar beter waren dan de ontwikkeling van de benchmarks, een negatieve score het omgekeerde. De Z-score berekening wordt separaat door de accountant gecontroleerd.
